![]() |
Erfelijkheid | Begrippenlijst |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() | ||||||
Info |
Bestanden |
Links |
Oefenen |
PC-les |
Tweet | |||||
Woordenlijst Erfelijkheid
Allel |
Allelen zijn verschillende vormen van een gen. Zij liggen in homologe chromosomen op precies dezelfde plaats. Allelen coderen voor dezelfde eigenschap bijvoorbeeld bloemkleur: rode bloemkleur of witte bloemkleur. |
Autosoom |
Chromosoom, dat niet direct betrokken is bij het totstandkomen van het geslacht van een individu, dit in tegenstelling tot een geslachtschromosoom, die heterosoom is.
(Autosomale eigenschappen zijn eigenschappen die op de autosomen liggen.) |
Barr (lichaampjes van) |
Een van de twee X-chromosomen bij een vrouw, die tijdens alle fases van de celdeling gespiraliseerd is. Dit X-chromosoom is inactief. |
Crossing-over |
Uitwisseling van twee homologe delen tussen twee van de vier chromatiden van homologe chromosomen tijdens de profase van meiose-I. Zie animatie |
Dihybride kruising |
Kruising, waarbij gelet wordt op twee genen. Zie animatie Bioplek. |
Dominant |
Van een allel (gen) dat in een heterozygoot individu in het fenotype volledig tot uitdrukking komt |
Drosophila |
De larven van de bananenvlieg (heeft het geslacht Drosophila, ook wel de fruitvlieg genoemd) leven in gistende vruchten. Vooral de soort Drosophila melanogaster is een geliefde proefdier voor onderzoekingen en experimenten op het gebied van de erfelijkheid, vooral omdat hij gemakkelijk in grote hoeveelheden te kweken is en een korte levenscyclus (tien dagen) bezit. De Drosophila melanogaster heeft een korte voortplantingscyclus. Een nieuwe generatie volwassen vliegjes ontwikkelt zich binnen slechts twee weken. Deze vlieg legt haar eitjes in rottend fruit en heeft daardoor geen harde, scherpe legboor nodig die andere fruitvliegjes gebruiken om in fruit en stammen te boren. Deze vliegjes zullen dan ook gebruikt worden voor dit onderzoek. Zie ook animatie Bioplek. |
Eeneiige tweeling |
Tweeling waarbij de nakomelingen hetzelfde erfelijke materiaal bezitten. Zie afbeelding over tweelingen. |
Embryosplitsing |
Kloontechniek om identieke nakomelingen te krijgen. Zie de volgende afbeelding. |
F1-generatie |
Symbool voor de nakomelingschap van de ouder-generatie (de P-generatie) van een kruising. |
Fenotype |
Verzameling van alle waarneembare kenmerken van een individu, ook wel gebruikt voor slechts een waarneembare eigenschap. Het fenotype komt tot stand door een gezamenlijke invloed van genen en milieufactoren. |
Gekoppelde genen |
Genen die in hetzelfde chromosoom gelegen zijn. |
Genetica |
Erfelijkheidsleer. Klik hier voor meer info. |
Gen |
Een gedeelte van het chromosoom met gecodeerde informatie voor één erfelijke eigenschap. Een gen bevat de informatie voor een polypeptide (eiwit), dat gewoonlijk een essentiële rol speelt bij het tot stand komen van het fenotype. |
Genotype |
De verzameling genen, ook wel gebruikt voor een deel van de verzameling. |
Geslachtschromosoom |
Chromosoom, dat een rol speelt bij de totstandkoming van het geslacht. Dit chromosomenpaar verschilt in de twee geslachten (heterosomen) |
Heterosoom |
Chromosoom dat betrokken is bij de totstandkoming van het geslacht van een individu (geslachtschromosomen) |
Heterozygoot |
Met ongelijke allelen voor een bepaalde eigenschap. |
Homozygoot |
Met gelijke allelen voor een bepaalde eigenschap. |
Intermediair |
Tussen twee andere liggend, wordt vaak in verband met het fenotype gebruikt. Een intermediair fenotype is een fenotype waarbij in een heterozygoot individu beide allelen tot uiting komen. (Bijvoorbeeld rode x witte bloem levert rose nakomelingen) |
Karyogram |
De weergave van de chromosomen (van de mens) nadat ze naar grootte gerangschikt en gegroepeerd zijn. Zie afbeelding |
Klonering |
Het gebruiken van gedeelten van organismen voor de productie van nieuwe individuen. Hierdoor ontstaan nieuwe organismen die dezelfde genetische samenstelling hebben als het oorspronkelijke organisme. |
Locus |
Plaats van een gen in een chromosoom. |
Mendel |
Vader van de genetica, bekend om zijn proeven met erwten. Hier meer over Mendel. |
Modificatie |
Een niet erfelijke variatie van het fenotype. Deze term is in verband met de term -genetische modificatie- verouderd. |
Monohybride kruising |
Kruising waarbij wordt gelet op één eigenschap, waarbij één allelenpaar is betrokken. Zie ook animatie. |
Onafhankelijke overerving |
Als twee genenparen in verschillende chromosoomparen liggen, spreken we van onafhankelijke overerving . |
P-generatie |
Symbool voor de oudergeneratie, die de gewoonlijk homozygote individuen omvat die met elkaar worden gekruist. |
Prenatale diagnostiek |
Vaststellen van ziekten voor de geboorte, bijv. doordat cellen uit het vruchtwater gebruikt worden voor onderzoek. |
Ras |
Groep individuen van een soort die zich door bepaalde erfelijke eigenschappen onderscheidt van soortgenoten. Rassen zijn kunstmatig ontstaan en kruisbaar met andere rassen. |
Raszuiver |
Homozygoot voor de voor het ras kenmerkende eigenschappen. |
Recessief |
Niet in het fenotype tot uiting komendt als op de overeenkomstige locus in het homologe chromosoom een dominant allel aanwezig is. |
Reciprociteitsregel/wet |
Het maakt niet uit of men bij kruising van twee planten of dieren voor een bepaalde eigenschap een vader of moeder neemt. Beide kruisingen geven gelijke resultaten. Dit is de 3e wet van Mendel. |
Reciproke kruising |
Kruising waarbij het fenotype van de man gelijk is aan het fenotype van de vrouw is in een andere kruising en het fenotype van de vrouw gelijk is aan het fenotype van de man in die andere kruising. |
Recombinatie |
Het ontstaan van nieuwe combinaties van allelen. Recombinatie kan het gevolg zijn van de toevalsverdeling van beide homologe chromosomen bij de meiose over de haploïde cellen. Recombinatie kan ook het gevolg zijn van crossing-over. |
Recombinant-DNA-techniek |
Techniek waarbij delen van het DNA van verschillende organismen bij elkaar gebracht worden. |
Splitsingswet |
In de F2 komen de eigenschappen van de P-generatie weer te voorschijn. Dit is de 2e wet van Mendel. |
Transgeen |
Een transgeen organisme is een organisme dat een vreemd gen (een transgen ) in zijn erfelijk materiaal draagt. Meestal gaat het om modelorganismen die in laboratoria met speciale biotechnologische technieken genetisch werden gewijzigd. |
Tweeeiige tweeling |
Tweeling waarbij de nakomelingen niet hetzelfde genotype hebben. Twee verschillende eicellen zijn door twee verschillende zaadcellen bevrucht. Zie afbeelding over tweelingen. |
Tweelingenonderzoek |
In de gedragsgenetica wordt gebruik gemaakt van tweelingenonderzoek , waarbij eeneiige en twee-eiige tweelingen met elkaar worden vergeleken. Het principe van tweelingenonderzoek is simpel. Eeneiige tweelingen delen dezelfde genen, twee-eiige tweelingen echter, delen de helft van hun genen, net zoals andere broers en zussen dat doen. Zowel eeneiige als twee-eiige tweelingen delen geheel hun gezinsomgeving. Het verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen kan daarom worden toegeschreven aan genen. Er wordt dan gekeken naar correlatie, oftewel de mate van overeenkomst van dezelfde eigenschap in beide leden van een tweelingenpaar. Als een eigenschap in hoge mate erfelijk is verwacht je een hogere correlatie in eeneiige tweelingen dan in twee-eiige tweelingen. |
Uniformiteitswet (1e wet van Mendel) |
Kruisingen van twee homozygoten die in één kenmerk verschillen geven nakomelingen die allemaal 100% hetzelfde genotype en fenotype hebben (=gelijkvormigheidswet) (=1e wet van Mendel) Dus:
Bij een kruising van homozygote ouders, die in één allelenpaar verschillen (AA x aa), is de F1-generatie uniform. Dus altijd Aa. |
Vlokkentest |
De vlokkentest is een vorm van prenatale diagnostiek, waarbij een klein stukje (vlokkig) weefsel van de placenta (moederkoek) wordt weggenomen |
Vruchtwaterpunctie |
Onderzoek waarbij een beetje vruchtwater van een zwangere vrouw wordt afgenomen voor onderzoek. |
Wild stam |
De wilde stam (afkorting +), de dieren van deze stam bezitten dezelfde eigenschappen als hun in het wild levende soortgenoten. |